| 17-02-2009 |
| De huizenmarkt staat op de rand van de afgrond |
Overal staan huizen te koop. Huizen die nog bewoond worden. Andere zijn al leeg. Een droevige aanblik. Die arme verkopers. Sommigen hebben nu twee huizen tegelijk: een nieuw en een oud, dat niemand wil kopen. Dubbele maandlasten en een vretende angst dat het oude huis onvoldoende opbrengt om de hypotheek te voldoen. Toch is de Nederlandse huizenmarkt niet in een echte crisis, zoals bijvoorbeeld in Spanje. Dan tuimelen de prijzen omlaag. Wie in inkomen achteruitgaat –dat lot treft nu veel Spanjaarden– en zijn hypotheek niet meer kan opbrengen, moet zijn huis verkopen. Maar dat is veel minder waard dan in de hoogtijdagen, toen het werd gekocht. De ongelukkige eigenaar blijft zitten met een grote restschuld. Hij zit aan de grond. Een persoonlijk drama. Hoe meer huizen zo op de markt komen, hoe lager de prijzen en hoe hoger de restschulden. Uiteindelijk raakt dat ook de banken, want zij moeten hun hypotheken afwaarderen. De overheid moet dan weer bijspringen. De Nederlandse huizenmarkt staat op de rand van de afgrond. De prijzen dalen, maar het gaat gelukkig geleidelijk. Politici moeten nu alles in het werk stellen om de markt op gang te brengen. Rust en zekerheid zijn daarbij sleutelwoorden. De economische crisis is immers ook een vertrouwenscrisis. Iedereen is bang. Wie geld heeft, durft het niet uit te geven. Hierdoor raakt de economie verder in het dal. De politiek kan een deel van de angst wegnemen door standvastig te zijn en vertrouwen uit te stralen. Maar de bestuurders doen precies het omgekeerde. Ze duwen de huizenmarkt nog wat verder het dal in door uitgerekend nu over de aftrek van de hypotheekrente te kibbelen. De schaarse kopers worden zo kopschuw. Hun laatste zekerheid wordt ondergraven. Hoe gunstig het ook op termijn kan zijn, het is onverantwoord om dat nu te berde te brengen. Ook op andere gebieden zaait de overheid onrust. „We mogen geen enkele maatregel uitsluiten om deze crisis te bestrijden, bezuinigingen ook niet”, zo verklaarde de regering vorige week. De boodschap klinkt paniekerig. De burger hoort dit. Zijn laatste restje optimisme verdwijnt. De Nederlander vreest al voor zijn baan, zijn pensioen en zijn huis. Maar ook van de kant van de overheid dreigt gevaar. Bezuinigingen, lastenstijgingen, wie weet wat er te gebeuren staat. Dit vooruitzicht zet aan tot nog meer zuinigheid en de economie slinkt verder. Waarom juist nu spreken over verhoging van de AOW-leeftijd? Een crisis gaat gepaard met werkloosheid en ontslagen. Dat is niet het moment voor plannen om ouderen langer te laten doorwerken. Op den duur zal het best nodig zijn. Maar nu hebben we andere zaken aan het hoofd, waarvoor we de handen op elkaar moeten krijgen. Hoe behouden we banen? Hoe krijgen we ontslagen mensen weer snel aan het werk? Welk werk moet dat zijn? Welke extra gelden maken we vrij? Te veel is niet goed, te weinig ook niet. Gaan we extra investeren in duurzame energie, in onderwijs en in innovatie, zodat we krachtig uit de crisis komen? Of stimuleren we de lease-auto’s en stoppen we weer wat extra’s in wegen en gebouwen en schuiven we noodzakelijke veranderingen door naar de verre toekomst? Het land moet nu alle energie gebruiken voor het oplossen van deze vragen. Het Belgische nieuws, afgelopen zondag, was een oase van rust. In een relatief kort item werd aangekondigd dat de overheid niet zou bezuinigen, omdat ze de crisis niet wilde verergeren. Vervolgens kwam het volgende item aan de orde: een Engelse jongen van dertien (die oogde als tien) en een meisje van vijftien die samen een baby hadden gekregen. Soms ben ik jaloers op de Belgen.
|
Terug naar nieuws overzicht